Lousy drunken bastard

You went out for boozing and try out your luck
To find you a girl who was willing to f…
Your wife and your children, they stayed home alone
But your choice was drinking and never stay home

When you came home later, as drunk as can be
You kicked in the door, so she kicked in your head
“Don’t want you, you bastard! Get out of my bed!
Get out of my house and get out of my street!
You lousy drunken bastard, you’re the one I don’t need!”

Lousy drunken bastard
We’re not there for you
All you do is drink
And that’s all that you do
Your future lies hidden
At the bottom of a pint
But if you keep drinking
It’s not luck you will find

You said:” How I love you, the Gods they all know!”
But it was the devil, came looking for you
And he took you drinking and boozing till now
She said: “Go get lost, you are not a man!
You say you can drink, but we all know you can’t!”

So you then got back to the boys in the pub
You ordered a pint and felt shit out of luck
The boys they all cheered and they sang you a tune
But you started drinking and never made June.

Lousy drunken bastard
We’re not there for you
All you do is drink
And that’s all that you do
Your future lies hidden
At the bottom of a pint
But if you keep drinking
It’s not luck you will find

The devil he tempted you, and you did give in
To liquor and booze and the things full of sin
The Gods may not care, forgive them they won’t
But as long as you drink, you don’t care if they don’t

Lousy drunken bastard
We’re not there for you
All you do is drink
And that’s all that you do
Your future lies hidden
At the bottom of a pint
But if you keep drinking
It’s not luck you will find

Addicocked – Episode 1 – The Introduction

Narrator: The year is 1402. These two men are The Bishop Of Canterbury and Oswald Addicock.

(One man turns his head.)

Oswyn: Oswyn!

Narrator: What?

Oswyn: I’m not Oswald, I’m Oswyn! Oswyn Addicock!

Narrator: Oh sorry, and you? Are you the Bishop Of Canterbury?

Bishop: Yes, of course.

Narrator: Well ok then. The year is 1402. The man with the funny hat is The Bishop Of Canterbury and the other one seems to be someone called Oswyn, Oswyn Addicock.

(Bishop opens door at the end of the hallway.)

Narrator: As they walk through these dark hallways, the bishop opens a door.

Bishop: Oh shut up!

Narrator: What?

Bishop: Yes, shut up. Stop saying everything we’re doing!

Narrator: B…b…but?

Bishop: No buts, sod off!

Narrator: B…b…but…

Bishop + Oswyn: No buts, sod off!

(They both enter the room on the other side of the door. A young man stands up.)

Bishop (nods): Griffin.

Bishop (to Oswyn): Well, this is the man I was talking you about. This is Griffin, the new man in your life!

Oswyn: Oh dear, this looks nice.

Bishop: What are you saying, Addicock?

Oswyn: I was saying that he seems nice.

Bishop: Oswyn Addicock, Griffin. Griffin, Oswyn Addicock. You two will get along just fine. If you don’t mind, I must go, I have some things to settle with the abess.

(Bishop leaves room.)

Griffin: Well, nice to meet you, sir!

Oswyn: Nice to meet me? Nice to meet me? Do you have any idea who you’re talking to?

Griffin: The new pastor of the parish, sir?

Oswyn: I prefer the term ‘your Excellency’, but you’re right, I’m the new pastor, but it will not be nice to meet me, I assure you, Griffith!

Griffin: Griffin, sir!

Oswyn: Your Excellency, Griffith!

Griffin: No, just Griffinwill do! No need to bother with that ‘your Excellency’, sir, I’m just a humble man.

Oswyn: You just don’t have a clue, do you?

Griffin:  About what, sir?

Oswyn: About ‘your Excellency’, my dear Griffin.

Griffin: Well, no sir, I’ve never met him.

Oswyn: Oh my god, look over there!

(Oswyn points, Griffin looks and Oswyn gives Griffin a smack on his head)

Griffin: Au, what was that good for?

Oswyn: For the peanut in your head!

Griffin: What peanut?

Oswyn: Oh, they’ve never told you?

Griffin: Never told what, sir?

(Oswyn smacks him again.)

Oswyn: Never told you that you were the subject of a series of scientific experiments in the dark dens of the abyss, where they accidentally seem to have replaced your brain by a peanut. A salty one. And every now and then, I have to smack you on your head, to keep the peanut in place and working of course. Or so the bishop told me.

Griffin: What, sir?

(Oswyn smacks him again.)

Oswyn: Never mind though. What a pitty the old pastor ran off with his housekeeper, isn’t it, Griffin?

Griffin: Did he?

Oswyn: Of course, he did, the old bastard. He ran off with the big bottomest lady of town. Man, was she huge. With a cleavage from here up till Mozambique.

Griffin: Mozambique?

Oswyn: Well, at least till her knees.

Griffin: Must be a big cleavage, sir.

(Oswyn smacks Griffin on the head.)

Oswyn: Very big indeed!

Griffin (sighs): Lovely…

Oswyn: Lovely? What’s your problem? I’d rather run off with a pregnant dungong who’s stone deaf.

Griffin: What?

Oswyn: Exactly!

(someone knocks)

Oswyn: Enter!

(A nun enters)

Nun: Excuse me, sir, b…

Oswyn: Your Excellency, dear nun.

Nun: Excuse me your Excellency, but I heard someone crying, thought that there might be a problem.

Oswyn: The only crying in this room was the crying of my dear friend Griffin, who got smacked on his head several times by me. And only to help him with his mental illness. The only problem in here now seems to be your presence,  my dear! Now, go say your prayers and bugger off!

(Oswyn pushes nun out and shuts the door.)

Oswyn: Bloody nuns, always running around, eavesdropping on doors of eminent people, falling in and pretending to have heard a scream. We should hang one on a cross. A wooden one. Just to punish her.

Griffin (thinks): Somehow that sounds familiar.

Oswyn: Yes yes yes. Your illness, right?

(Oswyn smacks Griffin on the head and sits down.)

Oswyn: Tell me about your parents, my dear Griffin.

Griffin: Well, sir, I’m an orphan, I was raised by …

Oswyn: Yes yes, blablabla, I’ve got some things to take care off. Keep on talking during my absence, but don’t talk too loud. You might disturb the praying nuns.

(Oswyn stands up and leaves room. Griffin starts talking.)

To be continued…

Jef

Er was eens een zomerse dag en de lentezon scheen door de herfstbladeren van de bomen. Wat kinderen liepen spelend door de net uit de lucht neergekomen sneeuw. Juichend en met sneeuwballen gooiend, riepen ze: “Waaw, wat een zomerse dag en de lentezon schijnt door de herfstbladeren!” De meeste kinderen beseften niet in wat een vreemde situatie ze waren terechtgekomen en riepen maar wat op deze zomerse lentedag met een lekkere winterzon. Sommige mensen beseffen maar al te vaak niet in wat voor niet-alledaagse situaties ze  terechtkomen en lallen dan maar wat in de aard van: “Waaw, wat een mooie lentedag en de herfstzon schijnt door de winterbladeren!” En dit terwijl de bomen in de winter geen bladeren hebben. Wat zijn sommige mensen dom…

Op dat moment opende Jef de gordijnen van zijn met ijskristallen bezette kamerruit. “Verdomme,” schreeuwde hij, “Het is een zomerse dag en de lentezon schijnt door de herfstbladeren!”

Jef was een jonge zeventiger, hoewel hij beweerde dat hij pas achtenveertig was. Hij deed de gordijnen dicht en poogde terug in zijn bed te kruipen. Pas toen hij echt besefte in wat voor vreemde situatie hij was terecht gekomen, kwam het besef om niet terug in bed te kruipen, maar om deze al te bizarre situatie uit te dokteren. Hij stond op en kuste de nacht vaarwel die helaas al in dag was overgegaan. Hij hoorde de vogeltjes fluiten en nam zijn luchtkarabijn om de vogeltjes neer te schieten. Jef was niet zo’n vogelman. Hoewel het werkwoord hem meer aanstond.

Hij liep de trap af en stopte halverwege, de gedachte om zichzelf van de trap te gooien, kwam bij hem op. Deze had Jef nu al veertien jaar, acht maanden en negenentwintig dagen om precies te zijn. Een zelfmoordgedachte die hem al vanaf zijn jeugd volgt, maar pas nu tot uiting komt omdat Jef last heeft van schizofrenie. De trap was iedere morgen een kwelling. Maar toch had Jef deze gewoonte onder controle. Het werd een soort van ochtendritueel. Hij liep de woonkamer in.

De stoffige, vuile kamer met oud meubilair was onderdeel van het al even krakkemikkige huis dat midden het platteland stond. Tussen de herfstbomen, meiklokjes en lentezonnen.

Jef ging aan tafel zitten, met een frisse pint. Hij schonk het goudkleurig vocht in een glas, maar dronk het nog niet leeg. Hij stond op, nam de pint in z’n hand en liep er mee naar de gootsteen waar hij het resoluut ingoot. Geen levend wezen is er ooit aan uitgeraakt waarom dit elke ochtend wordt gedaan. Misschien denkt Jef er elke ochtend aan om opnieuw te beginnen drinken sinds hij gestopt is toen zijn derde vrouw hem verliet en de hond omverreed toen ze de oprit afreed met zijn pas afbetaalde auto. En dat precies veertien jaar, acht maanden en negenentwintig dagen geleden.

Jef was niet zo een opgewekt man. Hij had zijn hele leven al miserie gekend. Hoewel hij dat iedere ochtend relativeerde door een verse pint in de gootsteen te kappen. En nu en dan eens met zijn luchtkarabijn op vogeltjes te schieten. Arme vogeltjes. Kleine arme vogeltjes. Maar op deze koude zomerochtend scheen de lentezon veel te fel, bijgevolg raakte Jef niet een miezerig vogeltje. Nuja, Jef zou niet eens een adelaar die met een visnet in Italië was gevangen en per postpakket opgestuurd was, kunnen raken. Al stond het beest iedere ochtend halverwege zijn trap, denkend aan zelfmoord.

Jef bereidde een lekkere kop koffie. Voor Jef is de koffie althans lekker. Vroeger als zijn nonkel Miel langskwam, zette Jef ook altijd koffie. Maar nonkel Miel, die nog in de oorlog had gevochten, merkte altijd op dat de koffie in de oorlogen lekkerder was.

Misschien is het omdat Jefs derde vrouw een teug rattenvergif in zijn frisse pint had gedaan, waardoor Jefs smaakvermogen volledig verdwenen is, alsook zijn drang om iedere dag een frisse pint te drinken. En dat precies veertien jaar, acht maanden en negenentwintig dagen geleden.

Jef keek door het grote raam achteraan zijn veranda naar de witte sneeuwvlakte die besneeuwd ligt met herfstbladeren en dat terwijl de lentezon schijnt. Jef dacht bij zichzelf: “Akkerdzieje, de polen zijn aan het wisselen. Ik wist het. Ik heb het altijd al geweten!” Hij stormde de veranda uit, de woonkamer in en de trap op. Hij vluchtte zijn studeerkamer in en nam een atlas. Hij sloeg de atlas open op een wereldkaart. Hij bekeek deze aandachtig en draaide hem plots ondersteboven. “Hmmmm, zo zal de wereld er dus uitzien als de polen gewisseld zijn.” Hij nam een soort dagboek en schreef op:

“ Donderdag, 30 februari, De polen zijn aan het wisselen. Mijn voorspelling komt uit! Ik ben een genie, nu nog de wereld overtuigen van mijn kunde.Na precies  veertien jaar, acht maanden en negenentwintig dagen, komt mijn voorspelling eindelijk uit! ”

In een vlaag van euforie schreef Jef verder. Hij had geen idee wat hij wou zeggen, maar toch verschenen deze woorden op het papier:

“De biografie is een autobiografie van iemand anders. En die iemand anders is veel te lui om zelf een autobiografie te schrijven.”

Met deze wijze woorden, sloot Jef zijn boek en legde het opzij. Hij keek nog één keer in de open atlas en gooide deze dan dicht waarna hij in de kast verdween. Hij haalde een woordenboek uit en zocht de betekenis op van volgende woorden: sarcasme, fluctuatie,  ironie, karabijnschieten, cynisme, vogelen en trapzelfmoord. Hij vond het laatste woord niet en gooide dan maar het woordenboek de vuilnisemmer in. “Kloteboeken waarin ik zelfs het woord trapzelfmoord niet in vind, moet ik niks van weten!” mompelde hij.

“Hoe vind ik nu in godsnaam iemand die mijn theorie over de wereld kan verspreiden?” dacht hij bij zichzelf toen hij de studeerkamer uitliep en de trap afdaalde. Weer stond hij halverwege de trap, naast een ingebeelde adelaar te denken wat hij zou doen. De adelaar vloog weg en Jef besloot dan maar verder naar beneden te gaan. De kop koffie was intussen al koud geworden. Jef vloekte. Het was muisstil op het platteland. Behalve dan wat spelende kinderen en een vloekende eenzaat. Jef kapte de koffie ook resoluut het gootgat in. Mompelend en vloekend zat hij in de woonkamer, die tevens diende als eetkamer, leefkamer en nu en dan als slaapkamer, als Jef niet naar boven wou, omdat hij bang was om van de trap te donderen. Dit deed Jef enkel als hij geen zin had om zelfmoord te plegen…

Hij keek rond zich en merkte op dat hij geen waanbeelden meer had. Waanbeelden… Soms zag hij een adelaar in zijn huis rondwandelen. Of een bende opgeblazen, zatte kabouters. En nu en dan een wetenschapper in een witte schort die een vreemde geur rond zich hangen had…Dan nam hij zijn luchtkarabijn en schoot wild in het rond om deze aan een spoedig einde te brengen.

Maar vandaag niet. Vandaag was niet zoals alle andere dagen. Jef dacht aan vroeger. Hij dacht hoe zijn leven eruitzag veertien jaar, acht maanden en negenentwintig dagen geleden. Een gelukkige blik verscheen op zijn gezicht. En tussen de herfstbloemen, winterbladeren en lentezonnen zat Jef doelloos voor zich uit te staren.

En hij leefde niet lang meer en ook niet gelukkig…

Kom dichter

Kom hier
Kom dichter

Vrees niet

Kom maar hier
Kom maar dichter

Ik doe je niks

Kom
Kom dichter

Echt niet

Ik neem je enkel in mijn armen
Ik omhels je zacht, teder en lief
Streel je zachtjes door je haar

En breek daarna je poten
Klote-hond van de buren